In deze tijd is er een brandende vraag die de kerk van Jezus Christus
zichzelf nooit schijnt te stellen. Het is een vraag die laat zien waarom er in
de wereld zoveel religieuze verwarring is. Toch is het een eenvoudige vraag:
"Waarom Paulus?"
Waarom precies kwam de Heere Jezus Christus na zijn opstanding en Hemelvaart
terug op aarde vanuit de Hemelse Heerlijkheid, riep hij Saulus van Tarsen en
maakte Hij hem Paulus de Apostel?
Het antwoord vanuit het Woord is niet moeilijk te vinden. Een simpel vers is
genoeg:
"Want ik spreek tot u heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik
maak mijn bediening heerlijk"
(Romeinen 11:13)
Let op dat Paulus zegt:
"Ik maak mijn bediening heerlijk".
Het is duidelijk dat Paulus niet zichzelf verheerlijkt. Hij verheerlijkt
juist zijn bediening, van God gekregen, als "apostel der heidenen". Het
is belangrijk dat duidelijk is dat het om de bediening van Paulus gaat en
niet om Paulus zelf. Hij is de door God gekozen apostel voor de heidenen. De
bediening waar Paulus over spreekt, heeft Hij van Jezus Christus gekregen. Die
bediening is voor ons heidenen, via Paulus, bedoeld.
Denk even na: de Schrift verwijst regelmatig naar "De wet van Mozes"
maar wie vraagt zichzelf af of het eigenlijk niet "De wet van God" moet
zijn? Mozes was gewoon een man aan wie God de wet gaf voor Israël. Met andere
woorden: God gaf via Mozes de wet aan Zijn volk:
"Nu dan, Israël! Hoor naar de inzettingen en naar de
rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft
het land, dat de Heere, uwer vaderen God, u geeft. Gij zult tot dit woord, dat
ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen: opdat gij bewaart de
geboden van den Heere, uw God, die ik u gebiede"
(Deuteronomium 4:1, 2)
Was dit zelfverheerlijking van Mozes? Zou Israël eerder een mens volgen dan
God als ze Mozes zouden gehoorzamen? Zou het kunnen dat God Mozes boven Zichzelf
verheerlijkte toen Hij hem de opdracht gaf Israël te laten gehoorzamen
"hetgeen Mozes geboden heeft" (Markus 1:44)? Natuurlijk niet!
Niets van dit alles verheerlijkt de man Mozes; het is juist een erkenning van
zijn door God gegeven bediening als wetgever voor Israël. Hij was het instrument
waardoor God Zijn wet aan Israël openbaarde. Hetzelfde geldt voor Paulus en de
verborgenheid. Paulus is degene door wie de Heere Jezus Christus de
verborgenheid bekend heeft gemaakt aan ons. Het is aan ons om in te zien dat hij
een speciale bediening had, maar dat Paulus zichzelf daar niet mee verheerlijkt,
net zoals dat Mozes zichzelf niet verheerlijkte toen hij Israël de wet gaf.
Uit de brieven van Paulus is duidelijk op te maken dat hij een
"Genade-schenker" is voor de heidenen in deze tijd:
"Om deze oorzaak ben ik Paulus de gevangene van
Christus Jezus, voor u, die heidenen
zijt,
"Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven
is aan u:
"Dat Hij mij DOOR OPENBARING HEEFT BEKEND GEMAAKT DEZE
VERBORGENHEID….(Efeze 3:1-3)
Het was een directe, persoonlijke openbaring van Jezus Christus zelf die
Paulus kreeg. Een nieuwe openbaring over Gods verborgen plan in de bedeling der
genade. Daarom schrijft Paulus over: "... de genade,
die mij van God gegeven is; Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de
heidenen" (Romeinen 15:15, 16)
Het herkennen en erkennen van de speciale positie die toegekend is aan de
apostel Paulus in Gods programma voor vandaag, betekent niet dat de man Paulus
wordt verheerlijkt. Het is gewoon het accepteren van zijn door God gegeven
positie als "onze apostel".
Christus’ eerdere bediening
Tijdens Zijn aardse bediening waren zowel de Heere Jezus Christus en Zijn
twaalf discipelen niet bezig met het dienen van de hele wereld. Christus kwam
juist om Israël, Gods volk, te dienen. Romeinen 15:8 is erg duidelijk op dit
gebied. Het is een vers die in staat is ogen te openen in het begrijpen van Gods
Woord:
"En ik zeg, dat JEZUS CHRISTUS EEN DIENAAR
GEWORDEN IS DER BESNIJDENIS, vanwege de waarheid Gods,
opdat Hij bevestigen zou de beloftenissen der vaderen."
In het licht van deze simpele verklaring zijn we iets belangrijks te weten
gekomen:
De boeken van Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes verwijzen naar de aardse
bediening van Jezus Christus die uitsluitend bedoeld was voor het volk Israël.
Hij (Christus) bevestigde de beloftes aan Israël, die gemaakt waren door hun
voorvaderen. Aan die bevestiging kon Israël dus zien, dat wat hun voorvaderen
beloofd hadden, ook echt waar was. Christus verkondigde het goede nieuws dat die
beloftes spoedig vervuld zouden worden.
Als we uitgaan van Romeinen 15:8, dat Christus’ aardse bediening uitsluitend
bedoeld was voor Israël, dan zal er altijd iemand zijn die het daar niet mee
eens is, aangezien Johannes 3:16 het volgende vermeld:
"Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij
Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet
verderve, maar het eeuwig leven hebbe."
Mensen struikelen over de dikgedrukte woorden. Daar staat immers dat God de
hele wereld liefhad en ook dat IEDEREEN die in Hem gelooft eeuwig leven
krijgt. Dus niet alleen Israël. Dit vers is echter niet bedoeld om Christus’
aardse bediening aan Israël te ontkrachten, maar juist om te laten zien dat Zijn
bediening de hele wereld in het vooruitzicht had!
Jammer genoeg negeren veel mensen die het bovenstaande vers lezen, andere
verzen uit andere evangeliën, zoals Mattheüs 10:5, 6:
"Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden, en hun bevel
gegeven, zeggende: GIJ ZULT NIET HEENGAAN OP DEN WEG DER HEIDENEN, EN GIJ ZULT
NIET INGAAN IN ENIGE STAD DER SAMARITANEN
MAAR GA VEEL MEER HEEN TOT DE VERLOREN SCHAPEN VAN HET HUIS ISRAËLS."
Dat is duidelijke taal. De 12 wordt opgedragen om slechts tot het volk Israël
gegaan. Jezus verbiedt hen duidelijk om naar de heidenen te gaan.
De grote vraag is dan natuurlijk waarom Christus in Johannes 3:16 zegt:
"Alzo lief had God de wereld…" en
vervolgens Zijn discipelen verbiedt om de wereld in te trekken. Wat is er aan de
hand? En… er is nog meer…kijk wat er gebeurt in Mattheüs 15: 22:
"En ziet, een Kananese vrouw, uit die landpalen
komende, riep tot Hem, zeggende: Heere! Gij Zone Davids, ontferm U mijner! Mijn
dochter is deerlijk van den duivel bezeten."
Als we de populaire versie van Jezus zouden bekijken, dan zou Hij
onmiddellijk naar de dochter gegaan zijn en haar onmiddellijk geholpen hebben.
Maar lees wat er verder staat: "Doch Hij antwoordde
haar niet één woord." (vers 23)
Denk je echt dat de Heere Jezus iemand in zulke nood, zoiets aan zou doen?
Gewoon niets zeggen? Maar wanneer Zijn discipelen er iets van zeggen en Jezus
hen antwoordt, begrijpen we waarom:
"Maar Hij, antwoordende, zeide:
IK BEN NIET
GEZONDEN, DAN TOT DE VERLOREN SCHAPEN VAN HET HUIS ISRAËLS."(vers 24)
Als we dit vers vergelijken met Johannes 3:16, dan ontstaat er verwarring.
Deze verzen lijken elkaar tegen te spreken. Hield Jezus dan niet van die vrouw
en haar dochter? Natuurlijk deed Hij dat wel. Wat is er dan aan de hand?
Tenzij we precies beseffen wat Gods programma in die tijd was, zullen we
nooit het antwoord op deze vragen vinden. Het is namelijk zo dat op dat moment
het programma dat toen in werking was, niet voor alle volken van de aarde
bedoeld was. Het programma dat toen in werking was, was gebaseerd op beloftes
die aan Abraham gedaan waren en verder verkondigd werden door de profeten.
Het Oude Testament staat vol met beloftes en profetieën dat verlossing in
alle uithoeken van de aarde verkondigd zou gaan worden door
verlostIsraël. (Zie
Genesis 22:17, 18, Jesaja 60:1-3, Zacharia 8:13, 20-23). Dit is de reden waarom
de aardse bediening van de Heere Jezus Christus uitsluitend aan Israël was
gericht. Israël was het gekozen en geprofeteerde "kanaal van zegeningen" voor
alle volken.
Inderdaad had God de hele wereld lief en Zijn speciale belofte was dat de
verlossing naar alle uithoeken van de aarde zou gaan door Israël. Als we
verder lezen in Mattheüs 15, dan zien we dat de vrouw uiteindelijk de genezing
krijgt die ze zocht voor haar dochter. Het is belangrijk om te zien waar die
zegening op gebaseerd was (vers 25, 26):
"En zij kwam en aanbad Hem, zeggende: Heere, Help
mij
Doch Hij antwoordde en zeide: het is niet betamelijk het brood der kinderen te
nemen en den hondekens
voor te werpen."
In dit vers wordt met "kinderen" het volk
Israël bedoeld. Met "hondekens" worden de
heidenen bedoeld. Iedere niet-Jood (iedere heiden dus), is een "hondeken".
Markus 7:27 versterkt de woorden van Jezus door de toevoeging van de volgende
woorden: "…Laat eerst de kinderen verzadigd worden." De aardse bediening van Jezus Christus was eerst voor Israël bedoeld, zij
moesten eerst "verzadigd" worden en dan zou de verlossing via verlost en
"verzadigd" Israël de rest van de wereld ingaan. Het antwoord van de vrouw laat
zien dat ze op dat moment begreep welke positie zij had (namelijk een heidense)
(vers 27):
"En zij zeide: JA HEERE! DOCH DE HONDEKENS ETEN OOK
VAN DE BROKJES DIE ER VALLEN VAN DE TAFEL VAN HUN HEREN."
In feite nam ze plaats ‘onder de tafel van Israël’ en ontving ze een zegening
die van de tafel afviel, net zoals honden kruimeltjes oplikken die van de tafel
afvallen.
Dit verklaart waarom Jezus uitsluitend gezonden was "dan tot de
verloren schapen van het huis Israëls.". De geestelijke toestand
van dit verkozen volk was echter bedroevend. Het volk was niet in staat om een
zegen te zijn voor wie dan ook.
Ditzelfde programma (Christus’ aardse bediening voor Israël) ging door na de
dood en opstanding van de Heere Jezus Christus. In Handelingen 3 vers 25 en 26
zet Petrus het programma uit het begin van Handelingen voort. Hij richt zich tot
het volk Israël en zegt:
"Gijlieden zijt kinderen der profeten, en des
verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham:
EN IN UW ZADE ZULLEN ALLE
GESLACHTEN DER AARDE GEZEGEND WORDEN
God, opgewekt hebbende zijn Kind Jezus,
HEEFT DENZELVE EERST TOT U
GEZONDEN, DAT HIJ ULIEDEN ZEGENEN ZOU,
daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden."
Terwijl Christus’ aardse bediening alleen geopenbaard was aan Israël, was het
nu zo (na de opstanding) dat die bediening zich begon uit te breiden; maar nog
steeds was het Israël eerst. De uitbreiding
van die bediening wordt duidelijk wanneer we kijken naar de instructies die
Jezus zijn apostelen geeft na zijn opstanding:
"En Hij zeide tot hen: Gaat heen in de
GEHELE WERELD, predikt het
Evangelie AAN ALLE KREATUREN."
(Markus 16:15)
De wereldwijde bekering en erkenning die zoveel mensen zoeken, zou komen
wanneer datgene wat Jezus zei in Markus 16:15 vervuld zou worden (zie Jesaja
2:1-3). We moeten echter niet vergeten dat de Heere Jezus Christus in de "Grote
Opdracht" (het uitdragen van zijn aardse bediening) een speciale volgorde heeft
vermeld:
"En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en
vergeving der zonden, onder alle volken,
BEGINNENDE
VAN JERUZALEM." (Lukas 24:47)
Lukas werkt deze instructie verder uit in Handelingen 1. We beginnen in
vers
6:
"Zij dan, die samengekomen waren, vraagden Hem,
zeggende: Heere, zult Gij in dezen tijd aan Israël het Koninkrijk wederoprichten?"
De Heere Jezus Christus besteedde 40 dagen aan het leren van Zijn apostelen
over "…de dingen, die het Koninkrijk Gods aangaan."
(vers 3).
Blijkbaar kwam hun vraag over het wederoprichten van het Koninkrijk voort uit de
dingen die ze hierover geleerd hadden en wat ze bezighield.
Ze vroegen de Heere Jezus niet wanneer het "Lichaam van Christus" zou
beginnen. Ze zochten geen informatie over een ander programma dat spoedig zou
beginnen, in plaats van het aardse Koninkrijk. Ze suggereerden niet dat de
profetieën weg zouden gaan om plaats te maken voor de verborgenheid.
Integendeel: ze waren vol verwachting dat Jezus Christus
…het Koninkrijk zou wederoprichten.
Het enige koninkrijk dat Israël ooit had, was een letterlijk, lichamelijk,
zichtbaar aards koninkrijk. Als de 12 apostelen op dit late tijdstip, na
de opstanding van Christus, nog steeds niet begrepen wat Christus met Zijn
Koninkrijk bedoelde, was het nu de tijd voor Jezus om ze op het goede spoor te
zetten. Het feit dat Hij Zijn apostelen niet uitdaagt om Zijn leer te begrijpen,
is krachtig bewijsmateriaal dat het Koninkrijk inderdaad letterlijk en aards was
en dat het niets te maken had met het geestelijke "Lichaam van Christus".
Waar Hij Zijn apostelen op wilde focussen, was wat ze moesten doen als Hij er
niet meer zou zijn:
"En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten
de tijden of gelegenheden, die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft;"
Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u komen zal; en
gij zult Mijn getuigen zijn, ZO TE JERUZALEM ALS IN
GEHEEL JUDÉA EN SAMARIA EN TOT AAN HET UITERSTE DER AARDE."
(Handelingen 1:7,8)
Let goed op de volgorde die Jezus hier gebruikt:
éérst Jeruzalem. Natuurlijk, omdat Jeruzalem "de
stad van de grote Koning is" (Zie Matt.5:35, Jer.3:17) Daarna komt
Judéa, dat het gebied van de zuidelijke stammen van Israël bestrijkt. Daarna
Samaria, dat het gebied van de noordelijke stammen van Israël bestrijkt. Al deze
gebieden bij elkaar beslaan de 12 stammen van Israël. Alleen dan
als ze daar geweest zouden zijn, zouden ze "tot aan het uiterste der aarde"
kunnen gaan. Dit is namelijk de profetische volgorde hoe het moest gebeuren.
Het begin van het boek Handelingen is een verslag van het uitdragen van het
profetische plan door Israël. Het heeft niets te maken met het
begin of de vorming van het Lichaam van Christus of de verborgenheid die later
geopenbaard is aan de apostel Paulus.
Paulus was
niét
één van de 12 apostelen
De 12 apostelen en de broeders bleven in Jeruzalem om wat er in de Schriften
tevoren voorspeld was, te vervullen. Ze gehoorzaamden hierbij de instructies die
de Heere Jezus Christus hen gegeven had. Tegelijkertijd waren ze bezig met het
kiezen en aanstellen van een opvolger voor de apostel Judas, die na zijn verraad
aan Jezus, zelfmoord had gepleegd. Die gekozen opvolger was niet Paulus.
Drie feiten sluiten volledig uit dat Paulus een van de 12 apostelen was:
Ten eerste kwam hij niet aanmerking voor de aanstelling
als apostel. Handelingen 1:21-23 laat zien dat er een basis voorschrift
was om een apostel te zijn:
"Het is dan nodig, dat van de mannen, die met
ons omgegaan hebben al de tijd, in welken de Heere Jezus onder ons in- en
uitgegaan is Beginnende van den doop van Johannes, tot den dag toe, in welken Hij van ons
opgenomen is..."
Paulus was er niet bij vanaf het begin tot het eind, dus kan hij niet een van
de 12 geweest zijn.
Ten tweede ‘werkte’ Paulus niet onder dezelfde bedieningals de 12 apostelen. In I Korinthe 1:17 zegt
Paulus: "Christus heeft mij niet gezonden om te dopen." Als we
kijken naar Mattheüs 28:19, waarin Jezus de opdracht geeft om
"alle
volkente onderwijzen en hen
te dopen"kunnen we zeggen dat als Paulus één van de
12 was, hij nóóit had kunnen zeggen dat Christus hem niet had gezonden
om te dopen. Geen van de 12 apostelen kon zeggen wat Paulus deed, omdát
Christus hen juist de
opdracht gaf om te dopen.
Als laatste, als we kijken naar I Korinthe 15: 5 - 8,
zien we dat Paulus zichzelf duidelijk apart zet van de 12 apostelen. Hij
schrijft:
"En dat Hij is van Céfas gezien, daarna van de
twaalve. Daarna is hij gezien van meer dan vijfhonderd broederen op eenmaal,
van welke het meerderdeel nog overig is, en sommigen ook zijn ontslapen.
Daarna is Hij gezien van Jakobus, daarna van al de apostelen En ten laatste van allen is Hij ook van mij, als van een ontijdig geborene,
gezien"
Voor een ieder die het Woord van God als laatste autoriteit beschouwt, laten
deze verzen duidelijk zien hoe de kwestie in elkaar zit. De 12 waren getuige van
de opstanding van Christus en Paulus was daar niet bij, dus was hij ook geen 1
van de 12 apostelen.
Gezien deze feiten is het duidelijk dat Paulus’ bediening volledig gescheiden
was en ook anders was dan dat van de 12 apostelen.
Pinksteren is
niét
het begin van het Lichaam van Christus
Over het algemeen is de opvatting dat bij de uitstorting van de Heilige Geest
in Handelingen 2 het Lichaam van Christus is begonnen. Echter, de Schrift laat
wederom iets anders zien. In feite is het zo, dat de komst van de Heilige Geest
juist het bewijs is dat het NIET het begin is van het Lichaam van Christus. De
apostel Petrus, die vervuld was met de Heilige Geest en Die Petrus ingaf wat hij
moest spreken, verklaarde dat de komst van die Heilige Geest vervulling van
profetie was. In Handelingen 2:16 legt Petrus uit wat er gebeurde:
"Maar dit is het, wat gesproken is door den profeet
Joel."
Vergelijk dit eens met Efeze 3:2 en 3
"Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der
genade Gods, die mij gegeven is aan u."
"Dat Hij mij door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid (gelijk ik
met weinige woorden tevoren geschreven heb…"
"Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet
is bekendgemaakt" (vers 5)
Hier zien we een vergelijking die je zou moeten leren maken: het belangrijke
verschil tussenprofetie en verborgenheid.
Joel wist van, profeteerde over en schreef over de komst van de Heilige
Geest. Het was dus een voorspelling. De Heilige Geest zelf wist heel goed wat
Hij deed op het Pinksterfeest en Hij inspireerde Petrus om de volgende
verklaring te geven: "Maar dit is het, wat gesproken is
door den profeet Joel." De Heilige Geest was op dat moment de
profetie van Joel aan het vervullen en bezig met het zetten van de volgende stap
in het lang van te voren geprofeteerde Koninkrijksprogramma.
Echter, in Efeze 3 is het duidelijk dat Joel niets wist van het
Lichaam van Christus. Het was immers verborgen! Daarom profeteerde hij er niet
over en schreef hij er ook niet over.
Dus: als (a) Joel wist van, profeteerde over en schreef over datgene wat er
gebeurde met Pinksteren en als hij (b) niet
wist van, nietprofeteerde over en nietsschreef over het Lichaam van
Christus, dan (c) kan het de vorming en het begin van het Lichaam van Christus,
niet datgene zijn wat er gebeurde met Pinksteren
Handelingen 3:21 laat duidelijk zien dat wat er gebeurde met Pinksteren, dat
dat "…God gesproken heeft door den mond van al Zijn
heilige profeten van alle eeuw."
Dit is het tegenovergestelde van "…de openbaring der
verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest."(Romeinen
16:25)
Bijbelpassages zoals Handelingen 3:25 en 26, 5:31 en 32, en 8:1 laten steeds
zien dat het programma in eerste plaats steeds voor Israël bedoeld was. Sterker
nog, later in Handelingen 11:19 lezen we dat ze "tot
niemand het Woord sprekende dan alleen tot de joden."
Het is droevig om te zeggen dat het volk Israël Christus verwierp. Allereerst
in Zijn aardse bediening en daarna in de getuigenis van Zijn opstanding door de
"kleine kudde" die geleid werd door de 12 apostelen. Israël begon zelfs degenen
die predikten over Christus, te vervolgen en Saulus van Tarsen werd de leider
van deze vervolgingen.
Het was in deze crisistijd dat God het profetische plan onderbrak en Saulus
zalig maakte, om hem vervolgens Paulus de Apostel te maken. Op die manier kon
God Zijn verborgen plan van genade aan hem bekend maken en via Paulus aan ons.
Paulus zegt het als volgt in I Timotheüs 1:13-16:
"Die tevoren een godslasteraar was en een vervolger
en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetend
gedaan heb in mijn ongelovigheid
Doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde,
die er is in Christus Jezus." (vers 13 en 14)
"Maar daarom is mij barmhartigheid geschied, opdat
Jezus Christus in mij, die de voornaamste ben, al Zijn lankmoedigheid zou
betonen, tot een voorbeeld dergenen, die in Hem geloven zullen ten eeuwigen
leven." (vers 16)
Paulus’ aanspraken op zijn bediening:
De brieven van Paulus laten door zijn door God geïnspireerde beweringen zien
dat zijn boodschap en apostelschap afweek van dat van de 12 apostelen. De
volgende voorbeelden laten daar geen twijfel over bestaan:
Romeinen 11:13: "Want ik spreek tot u, heidenen,
voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn bediening heerlijk;"
Romeinen 15:15, 16:"Maar ik heb u eensdeels te
stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom dit indachtig makende, om de
genade die mij van God gegeven is
Opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen…"
Romeinen 16:25, 26: "Hem nu, Die machtig is u te
bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de
openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest.
Maar nu is geopenbaard……."
Galaten 1:11, 12: "Maar ik maak u bekend, broeders, dat
het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens
Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen noch geleerd, maar door de
openbaring van Jezus Christus."
Efeze 3:1-3: "Om deze oorzaak ben ik Paulus de
gevangene van Christus Jezus voor u, die heidenen zijt
Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is
aan u
Dat Hij mij door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid…"
Kolossenzen 1:25, 26: "Welker dienaar ik
geworden ben naar de bedeling Gods, die mij gegeven is aan u, om te vervullen
het Woord Gods
Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle
geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen."
I Timotheüs 2:5-7: "Want er is één God, er is ook één
Middelaar Gods en der mensen, de Mens Jezus Christus
Die Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis
te zijner tijd
Waartoe ik gesteld ben een prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus,
ik lieg niet), een leraar der heidenen in geloof en waarheid."
Titus 1:2, 3: "In de hope des eeuwigen levens, welke
God, Die niet liegen kan, beloofd heeft vóór de tijden der eeuwen, maar
geopenbaard heeft te zijner tijd
Namelijk Zijn Woord, door de prediking die mij toebetrouwd is, naar het bevel
van God onzen Zaligmaker…"
1 Korinthe 15:3: "Want ik heb ulieden ten eerste
overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb
1 Korinthe 11:23: "Want ik heb van den Heere ontvangen,
hetgeen ik ook u overgegeven heb…
1 Korinthe 15:51: "Zie, ik zeg u een verborgenheid…"
Deze uitspraken, en de lijst zou nog door kunnen gaan, zijn Paulus’ eigen
woorden over deze kwestie. Aangezien Paulus schreef door inspiratie van de
Heilige Geest is ook het Woord van God betrokken in zijn uitspraken. Het is
overduidelijk dat het Woord laat zien dat Paulus’ bediening en boodschap totaal
gescheiden en anders was dan dat van de 12 apostelen vóór hem. Dat betekent dat
als we willen weten wat God ons, het Lichaam van Christus, te zeggen heeft, we
naar Paulus’ brieven moeten gaan om daar de antwoorden te vinden.
En dat is juist wat de kerk over het algemeen weigert te doen. In deze tijd
resulteert het verwarren van de verborgenheid die aan Paulus geopenbaard was met
het lang van tevoren geprofeteerde Koninkrijk, in een geestelijke catastrofe.
Kijk alleen maar om je heen om het overal te zien. Wie kan eraan twijfelen dat
de verwarring die de Kerk van vandaag zo in haar macht heeft, zo duidelijk
verbonden is met de waarschuwing in Galaten 1: 8 en 9:
"Doch al ware het ook dat wij, of een engel uit den
hemel, u een evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die
zij vervloekt
Gelijk wij tevoren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom: Indien u iemand een
evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt."
Je kunt er gewoon niet omheen. Als je de aparte bediening van Paulus, die de
Heere Jezus Christus persoonlijk aan hem gegeven heeft, niet accepteert, dan
verlies je daarmee iets. Een duidelijk voorbeeld daarvan zijn de Galaten. Zij
hadden gehoord van de boodschap van genade, maar Paulus was nog niet weg of ze
weken alweer af van wat hij hen verkondigd had. Hij schrijft tot hen:
"Ik verwonder mij, dat gij zo haast wijkende van
Dengene, Die u in de genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot
een ander evangelie." (Galaten 1:6)
"Oh gij uitzinnige Galaten, wie heeft u betoverd,
dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn; denwelken Jezus Christus voor
de ogen tevoren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?"(Galaten 3:1)
"WELKE
was dan uw gelukachting?
(…)
(Galaten 4:15)
Het afwijken van de Paulus’ boodschap resulteert in het verliezen van de
blijdschap en zegeningen die het staan in de genade juist teweegbrengen. Beste
vriend/vriendin, de enige weg naar volledige geestelijke genezing en heling is
door een vernieuwd denken te kijken naar wat God ons te zeggen
heeft.
Het gaat niet om bidden voor een bepaalde opwekking, het gaat ook niet om
vasten, niet om belijdenissen en ook niet om speciale offers. Nee, de
enige Weg (of het nu om de kerk in
zijn algemeenheid gaat of om jou en mij persoonlijk) die naar echte geestelijke
vreugde leidt, is Zijn boodschap voor ons vandaag. En
dát is wat de kerk vandaag de dag
nodig heeft.
De woorden van Paulus die hij aan Tmotheüs schrijft, zijn ook belangrijk voor
ons vandaag:
"Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van
mij gehoord hebt, in geloof en liefde die in Christus Jezus is
Bewaar het goede pand dat u toebetrouwd is, door den Heiligen Geest, Die in ons
woont." (II Timotheüs 1:13 en 14)
"Gij dan, mijn zoon, wordt gesterkt in de genade,
die in Christus Jezus is; en hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele
getuigen, betrouw dat aan getrouwe mensen, welke bekwaam zullen zin om ook
anderen te leren." (II Timotheüs 1: 1 en 2)
Dit is de houding die we moeten hebben tegenover Paulus’ bediening: Houd vol,
bescherm het, houdt eraan vast, bewaar het en het meest belangrijk: geef het
door aan anderen. Het is de boodschap van Jezus Christus aan de wereld vandaag.
We bidden dat God Zijn Woord gebruikt om tot onze harten te spreken en ons
getrouw te laten zijn in wat Hij van ons verlangt. En als er alleen al een klein
beetje lijden op onze weg komt, dan krijgen we daar rijkelijk iets voor terug:
genade op genade! Mogen onze harten open zijn om de waarheid te ontvangen en om
het bekend te maken aan anderen,"dat door ons de
prediking volledig gekend wordt en alle naties zullen horen."