Iemand heeft je zojuist over Jezus
Christus verteld. Je gelooft dat Jezus Christus voor jouw zonden is
gestorven en opgestaan. Je bent dus behouden en je zonden zijn vergeven.
Het is logisch dat je opgewonden bent en vervuld met blijdschap, maar
eigenlijk weet je niet precies wat er nou gebeurd is met jezelf en wat
er nu van je verwacht wordt nu je eenmaal gelooft.
Dit artikel is bedoeld als hulpmiddel voor jou als "nieuwe" Christen.
In dit artikel zullen we de volgende vragen beantwoorden:
Wat heb ik geloofd?
Wat gebeurde er met mij zodra ik ging geloven?
WAAROM zou ik de Heere dienen nu ik eenmaal geloof?
HOE zou ik de Heere moeten dienen nu ik eenmaal geloof?
Hoe moet ik met zonde omgaan nu ik eenmaal geloof?
Hoe ga ik met tegenslag om nu ik eenmaal geloof?
Hoe ziet de toekomst voor mij eruit nu ik eenmaal geloof?
Wat heb ik geloofd?
Elke ware Christen is gered van zijn zonden door het geloven van een
paar simpele Bijbelse waarheden:
1. Ik ben een
zondaar
De Bijbel zegt dat "zij hebben allen
gezondigd" (Romeinen 3:23) en dat
"er is geen mens rechtvaardig op aarde, die
goed doet en niet zondigt"
(Prediker 7:20).
Er is maar één moord nodig om iemand een moordenaar te maken en het
heeft maar één zonde nodig om iemand een zondaar te maken.
2. De gevolgen van zonden zijn
eeuwig
De Bijbel zegt dat "de bezoldiging der zonde
is de dood" (Romeinen 6:23) en dat
"de zonde voleindigd zijnde, baart den dood" (Jakobus 1:15).
We weten dat er in deze verzen meer wordt bedoeld dan alleen een
lichamelijke dood, omdat Ezechiël 18:4 zegt dat "de
ZIEL die zondigt, die zal sterven".
In Openbaring 21:8 staat verder dat alle zondaars die sterven zonder
Christus "hen deel hebben in den poel die daar
brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de TWEEDE DOOD".
Alle zondaars verdienen, buiten een lichamelijke dood, ook een
eeuwige geestelijke dood voor hun zonden.
3. Christus stierf voor mijn zonden
Hoewel we zondaars zijn en het verdienen om een eeuwige dood te
sterven voor onze zonden, "stierf Christus voor
mijn zonden" (I Korinthe 15:3).
We weten dat hij lichamelijk én geestelijk stierf aangezien Jesaja
voorspelde dat God zou "Zijn ziel Zich tot een
schuldoffer gesteld zal hebben" (Jesaja 53:10).
Hij is "overgeleverd om onze zonden en
opgewekt om onze rechtvaardigmaking" (Romeinen 4:25) terwijl
Hij "Zelf onze zonden in Zijn lichaam gedragen
heeft op het hout" (I Petrus 2:24).
4. Ik ben gered door te geloven dat Christus voor mijn zonden stierf
De Heere Jezus stierf "voor de zonden der
gehele wereld" (I Johannes 2:2), maar dat betekent niet dat
de hele wereld gered is.
Redding is aangeboden "tot allen"
maar het komt alleen "OVER allen die
geloven" Romeinen 3:22).
Dus dat betekent dat terwijl Christus "de
behouder is aller mensen", Hij
"allermeest" de Behouder is van "de
gelovigen" (I Timotheüs 4:10).
Het Evangelie is "een kracht Gods tot
zaligheid" alleen voor "een iegelijk
die gelooft" (Romeinen 1:16).
We zijn "gerechtvaardigd uit het geloof"
(Romeinen 5:1) en worden "kinderen Gods"
alleen "door het geloof in Christus Jezus"
(Galaten 3:26).
Het is natuurlijk zo, dat als we over "geloof" spreken, het
niet genoeg is om "te geloven in God" aangezien
"de duivelen geloven het ook, en zij sidderen" (Jakobus
2:19).
Als Paulus zegt, "Geloof in den Heere Jezus
Christus, en gij zult zalig worden" (Handelingen 16:31), dan
bedoelt hij dat we moeten hebben "geloof zijn
Zijn bloed" (Romeinen 3:25.
Efeze 2:8 zegt, "Want uit genade zijt gij zalig
geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave;"
5. Ik ben niet gered door goede
werken te doen
Handelingen 16:31 zegt niet,
"Geloof en probeer goed te doen en gij zult zalig worden".
Het zegt heel simpel "geloof…en…gij zult
behouden worden".
Redding is "niet uit de werken der
rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar Zijn
barmhartigheid" (Titus 3:5).
God zegt dat "degene die niet werkt, maar
gelooft in Hem, Die den goddeloze
rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid"
(Romeinen 4:5).
Er is totaal niets dat wij zouden kunnen doen om God tevreden te
stellen.
Hij heeft "ons zalig gemaakt, en geroepen met
een heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen
voornemen en genade" (II Timotheüs 1:9).
Daarom is redding "niet uit de werken, opdat
niemand roeme" (Efeze 2:9).
6. Ik ben niet gered door me
aan de 10 geboden te houden
De tien geboden waren slechts een onderdeel van de wet van Mozes, een
wet die in totaal 613 geboden omvatte!
Zijn inzettingen" (Exodus 15:26,
Leviticus 20:22) en "AL Zijn geboden"
(Deuteronomium 13:18, 26:18) en Hij sprak een
"vloek" uit over "een
iegelijk die niet BLIJFT in AL hetgeen geschreven is in het boek der
wet, om dat te doen" (Galaten 3:10).
De Wet eiste 100% gehoorzaamheid, 100% van de tijd!
Dat is ook de reden waarom "wie de gehele wet
zal houden, en in één zal struikelen, die is schuldig geworden aan alle.
Want Die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen, Die heeft ook
gezegd: Gij zult niet doden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar
zult doden, zo zijt gij een overtreder der wet geworden"
(Jakobus 2:10, 11).
Aangezien we ons allemaal aan minimaal één van Gods geboden niet
gehouden hebben, weten we dat
"de mens niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet"
(Galaten 2:16)
en dat
"niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar"
(Galaten 3:11)
Maar prijs God, "want hetgeen der wet
onmogelijk was, dewijl zij door het vlees krachteloos was, heeft God,
Zijn Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleses, en dat voor de
zonde, de zonde veroordeeld in het vlees" (Romeinen 8:3).
En zo lezen we dat "Christus heeft ons
verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons"
(Galaten 3:13)
en
"dat van alles, waarvan gij niet kondet
gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Dezen een iegelijk
die gelooft, gerechtvaardigd wordt" (Handelingen 13:39).
Wat gebeurde er met mij toen ik geloofde?
1. Mijn zonden van het
verleden, van nu en in de toekomst zijn vergeven
Nu je gelooft heeft God "al uw misdaden u
vergevende" (Kolossenzen 2:13).
De apostel Paulus verklaart dat "God in
Christus ulieden vergeven heeft" (Efeze 4:32)
en dus in Christus "hebben wij de verlossing
door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden" (Efeze
1:7, Kolossenzen 1:14).
2. Ik ben gerechtvaardigd in het
aangezicht van God
Het woord "rechtvaardiging" in de Bijbel betekent "rechtvaardig
maken".
Gods Woord zegt dat we zijn "om niet
gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus
Jezus is" (Romeinen 3:24)
en dat
"zijnde nu gerechtvaardigd door Zijn bloed, zullen
wij door Hem behouden worden van den toorn" (Romeinen 5:9).
Paulus verzekert ons ervan dat we zijn
"gerechtvaardigd in den Naam van den Heere Jezus" (I Korinthe
6:11),
en dat
"wij gerechtvaardigd zijnde door Zijn genade,
erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens"
(Titus 3:7).
3. Het eeuwig en eeuwigdurend
leven is aan mij gegeven
"De genadegift Gods is het eeuwige leven"
(Romeinen 6:23),
aangezien
"door één rechtvaardigheid komt de genade over
alle mensen tot rechtvaardigmaking des levens" (Romeinen
5:18).
Alle mensen die in Christus geloven "zullen
ten eeuwigen leven" (I Timotheüs 1:16)
en worden
"erfgenamen naar de hope des eeuwigen levens" (Titus 3:7).
4. De Heilige Geest kwam in mij wonen
Terwijl hij tegen gelovigen spreekt, zegt Paulus dat God
"heeft den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw
harten" (Galaten 4:6)
en dat daarom nu Gods Geest "in ons woont"
(II Timotheüs 1:14, Romeinen 8:9,11).
Zijn aanwezigheid in ons is het onderpand dat Hij gegeven heeft en
dat ons laat zien dat Hij ook daadwerkelijk serieus is over het
verlossen van onze lichamen alsook over het verlossen van onze zielen.
Paulus verklaart de de Heilige Geest "het
onderpand is van onze erfenis, tot de verkregen verlossing, tot prijs
Zijner heerlijkheid" (Efeze 1:14).
Deze zegening komt met een morele en geestelijke ‘verplichting’ om
een godvruchtige ‘gastheer’ te zijn voor de "Koninklijke Gast" in ons.
De apostel Paulus vroeg de Korinthiërs, die overigens niet op een
godvruchtige manier leefden:
"Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een
tempel is des Heiligen Geestes, Die in u is, Dien gij van God hebt, en
dat gij uws zelfs niet zijt? Want gij zijt duur gekocht; zo verheerlijkt
dan God in uw lichaam en in uw geest, welke Godes zijn" (I
Korinthe 6:19,20)
5. Ik ben gedoopt in de ware,
onzichtbare, wereldwijde Gemeente, "de Gemeente die Zijn Lichaam
is" (Efeze 1:22,23)
Paulus zegt dat wij "in Christus gedoopt
zijn" (Romeinen 6:3).
Deze doop heeft niets te doen met water.
Het woord "doop" in de Bijbel spreekt over "identificatie". Christus
identificeerde zich als Messias toen Hij werd gedoopt met water
(Johannes 1:31-33).
Maar later noemde Hij Zijn dood een doop (Lukas 12:50) omdat Hij aan dat
kruis "met de
overtreders is geteld geweest" (Jesaja
53:12, Markus 15:27,28).
Hij werd geïdentificeerd met zondaars terwijl Hij hun
zonden droeg.
Toen God naar Christus keek terwijl Hij aan het kruis op Golgotha hing,
zag hij niet Zijn Zoon. Hij zag ons in onze zonden en stortte Zijn toorn
uit over die zonden.
Maar nu identificeert onze doop ons met Christus. Als God nu naar ons
kijkt, ziet Hij ons niet in onze zonden. Hij ziet Christus in Zijn
rechtvaardigheid. II Korinthe 5:21 zegt het zo:
"Want Dien, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons
gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem".
Dus onze doop in Christus is een geestelijke doop:
"Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt"
(I Korinthe 12:13).
Terwijl God een lichamelijke doop en een lichamelijke besnijdenis
vereiste voor Zijn volk Israël, geeft God de leden van het Lichaam van
Christus nu een geestelijke besnijdenis
(Kolossenzen 2:11) en een geestelijkedoop
(Kolossenzen 2:12).
Deze doop maakt ons "leden van Zijn Lichaam"
(Efeze 5:30).
6. Ik kreeg eeuwige zekerheid
door Christus
"Indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw;
Hij kan zichzelven niet verloochenen" (II Timotheüs 2:13), en
als leden van Zijn lichaam zijn wij ook leden van Hemzelf.
Nu we dus een deel zijn van Zijn Lichaam zal "niets ons kunnen
scheiden van de liefde Gods" (Romeinen 8:39), omdat
"Hij Die in u een goed werk begonnen heeft, dat
voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus"
(Filippenzen 1:6).
In de Bijbel worden de geestelijke Efeziërs en de zondige Korinthiërs
allebei "heiligen" genoemd (I
Korinthe 1:2, Efeze 1:1)
en tegen allebei wordt gezegd dat ze
"verzegeld zijn met de Heilige Geest der belofte" (Efeze
1:13, II Korinthe 1:22).
Onze redding hangt niet af van wat we doen, maar van wat Christus
deed op Golgotha.
Waarom zou ik de Heere dienen nu ik eenmaal geloof?
1. Als ik gered ben en eeuwige zekerheid heb, kan ik dan leven
zoals ik dat wil?
Ja dat kan, maar als je groeit in het begrijpen van alles wat God in
Christus voor jou heeft gedaan, dan zal je manier van leven veranderen.
Toen de Heere Jezus een blinde man genas, zei Hij tegen de man:
"ga heen" maar in plaats van te
gaan, lezen we dat hij "volgde Jezus op den
weg" (Markus 10:52).
Dit kwam omdat hij besefte wat de Heere voor hem had gedaan en op die
manier werd de weg des Heeren zijn weg.
Hetzelfde geldt voor ons. Het is natuurlijk zo dat het beseffen en
realiseren van alles wat de Heere Jezus Christus voor ons heeft gedaan,
geleidelijk aan ons geopenbaard wordt naarmate we de Bijbel bestuderen.
Maar hoe meer we ervan leren, hoe meer we ons oude leven achter ons
willen laten en Zijn wegen willen volgen.
2. Ik wil Gods genade niet
misbruiken
Over de zonden in het vlees (Efeze 5:1-5), zegt Paulus:
"want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der
ongehoorzaamheid. Zo zijt dan hun medegenoten niet" (Efeze
5:6,7).
Er komt een dag dat de toorn van God uitgestort wordt op ongelovigen
vanwege hun zonden. Omdat je gered bent van de toorn van God en de hel
als een gered kind van God, is het niet de bedoeling dat je Zijn genade
gaat misbruiken door te blijven zondigen of mee te blijven doen met
zondige dingen die ongelovigen doen.
Als Christenen zouden we een verontwaardiging moeten voelen bij de
gedachte aan zonde tegen de God die ons juist heeft gered zodat we niet
meer vervolgd worden door Gods gerechtigheid.
We zouden juist moeten weigeren om ons ongevoelig uit te leven in de
zonden waar Christus voor gestorven is en diep en lang nadenken over het
antwoord op Gods vraag:
"Zult gij stelen, doodslaan en overspel bedrijven en valselijk zweren,
en Baäl roken en andere goden nawandelen, die gij niet kent? En dan
komen en staan voor Mijn aangezicht in dit huis, dat naar Mijn Naam
genoemd is, en zeggen: Wij zijn verlost, om al deze gruwelen te doen?"
(Jeremia 7:9,10)
3. Ik wil de Heere dienen uit
dankbaarheid voor mijn redding
We dienen de Heere niet om Hem ervan te proberen te overtuigen dat
Hij ons van onze zonden moet verlossen, we dienen de Heere omdat
Hij ons al heeft verlost van onze zonden.
Paulus zegt dat "de liefde van Christus dringt
ons" om Hem te dienen uit dankbaarheid voor onze redding door
Zijn genade door het geloof (II Korinthe 5:14).
Hij voegt eraan toe dat aangezien "Eén voor
allen gestorven is…zij niet meer zichzelven zouden leven, maar Dien, Die
voor hen gestorven en opgewekt is" (I Korinthe 15:15).
Het is slechts "redelijk" dat we leven voor Degene die
voor ons gestorven is en dat we onze lichamen geven als "levende
offerandes" in het dienen van Degene die Zijn Lichaam gegeven
heeft als een stervend offerande voor ons op Golgotha (Romeinen 12:1,2).
Deze
studie is eventueel ook te lezen en/of uit te printen in Als u deze studie niet kunt openen, dan kunt u
hier
gratis Adobe
Acrobat Reader downloaden.